Toen transgenderzorg in de jaren 70 bij het VU medisch centrum begon, met een enkele arts en een paar ‘patiënten’, kenden mensen elkaar goed. De genderpoli was een klein clubje dat zich onderscheidde, een eilandje binnen het ziekenhuis. In die beginfase kwamen er vooral trans vrouwen. ‘Veel bonte vogels’, aldus endocrinoloog Louis Gooren. ‘Onverschrokken types’, vervolgt hij. ‘Ze hadden de strijd voor erkenning in kleine kring al gewonnen.’
Een stapje verder terug, want er waren jaren eerder, nadat er ook in het buitenland enkele genderbevestigende operaties waren uitgevoerd, al vragen op artsen afgekomen. Otto de Vaal, een vrijgevestigde Amsterdamse arts, kreeg in 1968 een transgender patiënt op zijn consult en raakte, zoals Alex Bakker het in zijn boek verwoordt, ‘gegrepen door de uitzichtloosheid van diens situatie’. Toen er steeds meer transgender mensen bij hem aanklopten, nam De Vaal in 1972 het initiatief tot oprichting van de Genderstichting. Die stichting zou voorlichting geven, onderzoek doen en hulp verlenen aan ‘mensen met genderidentiteitsproblematiek’.
Een jaar later nam psycholoog Anton Verschoor het over van De Vaal. De Genderstichting kreeg contact met de VU, want met Grad Hellinga, endocrinoloog bij de VU, werd samenwerking gezocht over de hormonen. In de jaren daarna, zeker toen Louis Gooren het overnam van Hellinga, kwam de uitvoering van transgenderzorg steeds minder bij de stichting en meer bij het VU-ziekenhuis te liggen.
Geen vitaminepilletjes
Dit is in grote lijnen het begin van de transgenderzorg in Nederland. Historicus Alex Bakker beschrijft het in zijn boek ‘Een halve eeuw transgenderzorg aan de VU’. Hij vraagt zich af hoe het kon dat juist bij de gereformeerde VU deze zorg een plek kreeg. Hij beschrijft de ontwikkeling van de transgenderzorg van het kleine clubje in het begin naar het genderteam zoals dat nu bestaat. Een situatie waarin er zoveel aanloop is dat mensen wel twee jaar op de wachtlijst staan voor ze geholpen worden.
‘Voor mij is het een bewijs van christelijke naastenliefde’, verklaart plastisch chirurg Freerk Bouman de positionering bij de VU. Een barmhartige houding naar mensen die diepongelukkig raken omdat hun lichaam niet past bij hoe ze zich voelen.
Dat deze zorg bij zo’n goed aangeschreven instelling als het VUmc een plaats vond, heeft later ongetwijfeld geholpen in de acceptatie. Het gaf enige status, maar dat wil niet zeggen dat de genderpoli geen kritiek kreeg van maatschappij en politiek. Hoe zat het bijvoorbeeld met de wetenschappelijke onderbouwing van de geboden transgenderzorg?
Louis Gooren, endocrinoloog bij het VUmc van 1975 tot 2006, vertelt over de keuzes voor hormoontoediening. ‘Ik was me bewust van het risico op bijwerkingen op lange termijn. (..) Bij een ander verschijnsel, bijvoorbeeld diabetes, heb je duizenden collega’s over de hele wereld met wie je kunt overleggen. Dat hadden wij niet.’ Daarom wilde het ziekenhuis, ondanks de dringende vraag van veel patiënten, weloverwogen te werk gaan en ook veel onderzoek doen. Wat kunnen we te weten komen over eventuele bijwerkingen en complicaties? ‘Geslachtshormonen zijn geen vitaminepilletjes’, zegt hij.
Voorloper
De angst bij artsen voor een verkeerde inschatting van iemands transgender-zijn en een onomkeerbare weg in te slaan was groot. Bijvoorbeeld bij Anton Verschoor, die diagnoses stelde. Aan de andere kant hadden mensen vaak het gevoel alsof ze bij hem een soort examen moesten afleggen. En al in de spreekkamer moesten ze hem in hun uiterlijk kunnen overtuigen van hun vrouwelijkheid of mannelijkheid.
Op bepaalde punten was de transgenderzorg in Nederland ook voorloper. Bijvoorbeeld dat er vergoedingen beschikbaar waren uit het ziekenfonds voor onderdelen van de transgenderzorg. En vooral in het gebruik van puberteitsblokkers.
Dat begon rond 1987 toen zich bij Henriette Delemarre-Van der Waal, kinder-endocrinoloog aan de VU, een kind meldde met intense genderdysforie. Delemarre overlegde met Gooren en Peggy Cohen-Kettenis, psycholoog en grondlegger voor transgenderzorg voor kinderen en adolescenten, aanvankelijk bij het Academisch Ziekenhuis Utrecht en later als hoogleraar bij de VU. Ze keken naar de mogelijkheden om na een zorgvuldige toetsing de puberteit te vertragen.
Het duurde nog tot 1997 voordat de behandeling met puberteitsremmers ook bij andere kinderen officieel begon. In 2004 werd het behandelprotocol voor kinderen met puberteitsremmers internationaal bekend als The Dutch Approach.
Verschillende landen namen de aanpak over, maar de vraag is of ze wel dezelfde zorgvuldige screening in acht namen. Er kwam kritiek op die aanpak. ‘Soms ben ik bang’, zegt kinder- en jeugdpsychiater Annelou de Vries, ‘dat de ongefundeerde kritiek (in landen als Zweden, VS en het VK) ook naar Nederland overslaat.’
Verder heeft de plastische chirurgie zich ontwikkeld; er zijn nu veel meer keuzes voor trans mannen, trans vrouwen en non-binaire transgender personen. Het genderteam heet sinds 2006 het ‘Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie’ (KZcG). En transgender mensen hebben nu internet. Dat heeft grote gevolgen gehad voor goed informeren en onderling verbinden. Ten slotte werd in 2014 de transgenderwet aangepast; opereren en steriliseren was niet meer nodig voor een juridische aanpassing van het gender.
Misschien wel de grootste verschuiving in het denken over transgenderidentiteit en genderdysforie, schrijft Bakker, was de opkomst van ‘het concept non-binaire genderidentiteit’. Blijkbaar was dat ingewikkeld voor artsen. Louis Gooren in ‘Man of vrouw: min of meer’ (van Tim de Jong): ‘Bij tussenvormen denken mensen al gauw aan chaos, en daar houdt men zeker binnen de geneeskunde niet van.’ Het duurde even bij het VUmc, maar er is nu ruimte in het protocol voor de non-binaire groep.
De hoop voor de toekomst bij het KZcG is, aldus voorzitter Annelijn Wensing-Kruger, ‘dat de ellende met de wachttijden wordt opgelost.’