Han van Wieringen schreef ‘Niet zonder mijn broer’. Het is in november 2025 verschenen boek gaat over de relatie tussen Job, die het syndroom van Down heeft, en zijn broer Luck, die in transitie is.
Han van Wieringen (1982) is schrijver van poëzie, toneelstukken en romans. Zijn debuutroman, De kermis van Gravezuid, verscheen in 2012. ‘Niet zonder mijn broer’ is zijn derde roman. Daarin schrijft Van Wieringen hoe zijn alter ego Luck zijn broer, Gloria, een voormalig sekswerker die Job bezocht, haar vriendin en diens hond meeneemt op een reisje naar Canada. Ze vormen een soort fellowship.
Ze gaan erheen om een opgraving te bezoeken. In Canada is een heiligdom gevonden waar 48 graven zijn van mensen met trisomie op het 21e chromosoom. Of, met andere woorden, het syndroom van Down. Bovendien heeft Luck het boek Het begin van alles van Graeber en Wengrow gelezen. Dat boek bestaat echt en gaat erover dat onze geschiedenis niet een lineaire lijn volgde van jager-verzamelaars naar landbouwers, maar veel chaotischer verliep. Over dat boek en die opgraving wil Luck iets schrijven; hij moet erheen.
Samen met zijn twee jaar oudere broer natuurlijk. Hun ouders zijn jaren geleden verongelukt en Luck heeft een verzorgende rol voor Job op zich genomen.
Syndroom van Down
Ergens in het boek vergelijkt Van Wieringen het syndroom van Down met verstandskiezen en regenwouden. “Ik ben heel erg tegen het trekken van verstandskiezen”, schrijft hij, en ook tegen het kappen van regenwouden. “Zou het niet mogelijk zijn dat trisomie op het 21e chromosoom het regenwoud is van het menselijk genoom?” Net zo onmisbaar.
Van Wieringen had al langer het idee om iets over zijn broer te schrijven. Hij heeft ook echt een broer met het syndroom van Down. Het boek gaat uiteindelijk misschien niet zozeer over die broer, maar vooral over de relatie. Het gaat over Luck in relatie tot zijn broer. Ze zijn broers, en dat zijn ze al heel hun leven, antwoordt Luck als Job ernaar vraagt.
Je ziet Job voor je in de beschrijvingen en je hoort hem in de dialogen. Je ziet hem in een ‘hypergeconcentreerde staat’ komt. Een staat waarin hij zichzelf af en toe aanmoedigt in zijn bezigheden (in dit geval vermalen van kikkererwten voor zelfgemaakte hummus). Je hoort hem als hij een monoloog houdt bij een graf op de opgraving. Job staat als een soort voorganger met zijn hand op het hart en spreekt plechtig: ‘Echte mens, welkom in de grond, jij bent een goeie held.’ Een mooie scène. Later zijn ze hem uren kwijt en is er paniek.
De broer
Maar het boek gaat denk ik vooral ook over identiteit. De identiteit van Luck in dit boek is niet zozeer de persoon die in transitie is – dat is hier bijzaak – maar hij is de broer. Toch een citaatje over Lucks bezoeken aan de genderpsycholoog. ‘Hij’, die genderpsycholoog, ‘had me de mythe van het verkeerde lichaam opgelopen en ik had een stuk meegelopen in die mythe. Tot ik begreep dat ik geen baat had bij het herschrijven van mijn eigen geschiedenis met de kennis van nu.’
Of deze. ‘Er was ooit een trans man die me op een dinertje apart nam en liet weten dat ik als ik wilde passen alle lege schalen op tafel diende te laten staan. ‘Ik hoef niet als lul te passen’, zei ik niet.’