Tekst: Yitsz Neurink
Op 25 juli reed een bestelbus in op een menigte bij het slotfeest van de jaarlijkse Pride in Berlijn, waarbij een vrouw om het leven kwam en zestien anderen gewond raakten. In de eerste reacties van met name rechtse politici werd de nadruk gelegd op de afkomst van de vermeende dader. Hij zou hebben geprobeerd zich aan te sluiten bij de Islamitische Staat, en was daarmee een voorbeeld van hoe immigranten en de Islam een gevaar zijn voor ‘onze Europese normen en waarden’. Veelal ging dit om politici die normaliter geen omkijk hebben naar lhbti+ mensen.
Dit is een voorbeeld van homonationalisme: het (selectief) accepteren of tolereren van de lhbti+ gemeenschap voor een nationalistische agenda. Het accepteren van lhbti+ mensen wordt gerekend als onderdeel van onze nationale identiteit, vertelt Niels Spierings, hoogleraar sociologie aan de Radboud Universiteit. Het zou net zo Nederlands zijn als koeien, klompen en windmolens. Onze identiteit wordt daarbij neergezet als vrij, open en progressief.
Die nationale identiteit wordt dan tegenover andere culturen gezet en mensen uit die andere culturen worden bij voorbaat weggezet als homofoob. Het incident in Berlijn werd bijvoorbeeld meteen neergezet als onderdeel van een grotere strijd van onze (vrije) samenleving tegenover ‘de islamitische kring’ waar de vermeende dader uit voortkwam. Spierings voegt hier aan toe: “Niet homofoob zijn wordt een voorwaarde om erbij te horen, terwijl homofobe Nederlanders niet worden aangesproken.”
Geveinsde zorgen
Dit is niet de eerste keer dat er sprake is van homonationalisme in de Nederlandse politiek. Op de eerste dag van de Algemene Politieke Beschouwingen (APB) van 2025 hield Geert Wilders een speech van iets meer dan twee uur. Daarin had hij het meerdere keren over homoseksuele personen, die volgens hem vooral last hebben van discriminatie van buitenlanders zoals Marrokkanen, Arabieren en Berbers. Volgens Spierings komt in absolute zin de meeste discriminatie en weerstand momenteel juist uit radicaal en extreemrechtse hoek.
Andere partijen namen aanstoot aan de beweringen van Wilders. Hij had het bijvoorbeeld over de veiligheid van ‘onze homoseksuelen’, waarop D66-leider Rob Jetten noemde, verwijzend naar de PVV-fractie, dat tijdens een stemming over het verbod op homogenezing “37 handjes naar beneden bleven”, inclusief die van Wilders.
De woorden van Wilders lijken zich dan ook nooit te vertalen tot actie. Naast dat ze tegen het verbod op homogenezing stemden, eiste de PVV eind 2022 nog een hoofdelijke stemming voor het opnemen van seksualiteit in Artikel 1 van de Grondwet. Daardoor moest de stemming uitgesteld worden naar 2023, waar de PVV tegen het voorstel stemde.
Andere partijen aan de rechterkant van het politieke spectrum doen ook aan homonationalisme. In het JA21-verkiezingsprogramma van 2025 worden homoseksuele personen alleen genoemd omdat de ‘islamitische cultuur’ schadelijke opvattingen over ze zou hebben. Thierry Baudet (FvD) noemde intolerantie tegen homoseksuele personen ooit als het probleem van heel veel ‘moslimjongeren’. En ook de BBB is de afgelopen jaren homonationalistischer geworden. In hun verkiezingsprogramma van 2023 veroordeelden ze nog alle haatdragende uitingen tegen de ‘regenbooggemeenschap’, maar in 2025 werden lhbti+ mensen alleen genoemd in de context van discriminatie door mensen met een migratieachtergrond.
LHB, maar geen T
Andere groepen binnen de lhbti+ gemeenschap, zoals transgender personen, worden door Wilders zelden verdedigd. Bij het debat over de vernieuwing van de transgenderwet maakte Wilders duidelijk dat transgender personen er ook bij horen. Maar dan alleen ‘echte transgender personen die een beslissing maken na goede overwegingen en medische adviezen’. Hij noemt trans jongeren die hun geslacht willen veranderen zonder een verklaring van een dokter of een psychiater ‘totaal zot’. In hun verkiezingsprogramma van 2025 stond dat ‘biologisch geslacht’ leidend moet zijn in de kaders van wet- en regelgeving. In 2025 en 2026 introduceerden PVV-leden moties om transgender vrouwen niet in vrouwengevangenissen te plaatsen. Het verblijf van transgender vrouwen in mannengevangenissen werd in twee gevallen door rechters als psychisch zwaar beoordeeld voor de verdachten.
De andere partijen die aan homonationalisme doen, maken het leven van transgender personen vaak ook zwaarder. Forum voor Democratie steunde een petitie om transgender vrouwen in mannengevangenissen te plaatsen en diende in 2025 samen met JA21 en de BBB een motie in die een einde moest maken aan de vernieuwde transgenderwet.
Dit past allemaal bij wat Spierings vertelt over homonationalisme: “Het gaat echt alleen over lesbische, homoseksuele en biseksuele personen. De ‘tiq+’ identiteiten zitten er eigenlijk nooit bij.”
Femo- en homonationalisme
De lhbti+ gemeenschap is niet de enige gemarginaliseerde groep die wordt gebruikt om uit te sluiten. De term femonationalisme, bedacht in 2017 door de Britse sociologe Sara Farris, slaat op eenzelfde soort misbruik van vrouwenrechten. Ze noemt in een interview met de Volkskrant de PVV, die het vaak heeft over het beschermen van ‘onze’ vrouwen tegen de islam. Bij de APB noemde Wilders beide groepen in één zucht: “Hoe we onze eigen vrouwen veilig krijgen, hoe we onze eigen kinderen veilig krijgen, hoe we onze eigen homoseksuelen veilig krijgen?” In 2012 werd dit door Nederlandse sociologen als Jan Willem Duyvendak ook al benoemd onder de naam seksueel nationalisme.
Volgens Spierings zijn partijen die homonationalisme inzetten ook vaak femonationalistisch, maar andersom hoeft niet per se: “Homonationalisme kan alleen bestaan als er iets positiefs gezegd wordt over homoseksualiteit.” Forum voor Democratie uitte bijvoorbeeld zorgen over de veiligheid van jonge vrouwen na hun verkiezingswinst in Epe bij de gemeenteraadsverkiezingen, terwijl de partij inmiddels geen goed woord meer over heeft voor de lhbti+ gemeenschap.
Het opkomen voor gemarginaliseerde groepen is bij homo- en femonationalisme dus vaak performatief. Het komt volgens Spierings niet voort uit oprechte zorgen, maar het is vooral een wapen in de strijd tegen moslims en mensen met een migratieachtergrond. Spierings benadrukt: “Er wordt vaak niet gestemd voor beleid dat echt iets aan emancipatie doet, maar juist beleid dat buitenlanders het leven moeilijk maakt.”